Home » Joshua
Joshua
‘Het platteland blijft altijd in me zitten. Dit is wel echt mijn plek’
Op een hoge kast in een rijtjeshuis in het Friese dorp Burgum staat een schaaltje. Er ligt een vijzel in, en een aantal andere voorwerpen. Ze zijn afkomstig uit Ghana. Dit is het huis van de moeder van Joshua Frimpong. Ze zit naast hem op de bank. Beiden zijn echte Friezen, maar van Joshua zou je dat op het eerste oog niet vermoeden.
... Niet veel later vertelt haar zus dat zij bij de Ghanezen thuis geweest is. En hoe ze haar een droge beschuit bij haar thee gaven, omdat ze dachten dat het een koekje was. De Ghanezen zijn nog niet lang in Nederland, verbleven in een asielzoekerscentrum en wonen nu met z’n vieren in een huis. Na de verhalen van haar zus wil Joshua’s moeder ook een keer bij de Afrikaanse mannen op bezoek. Ze gaat samen met haar zus. Met een van de Ghanese mannen die ze in het huis ontmoet, krijgt ze een tijdje later een relatie. Ze trouwen, gaan in het dorp Garyp wonen en krijgen drie kinderen. Joshua is de jongste, hij wordt geboren in het jaar 2000. Als Joshua één is, scheiden zijn ouders. Twee jaar later verhuizen de kinderen met hun moeder vanuit Garyp naar Burgum, een groter dorp dat 5 kilometer verderop ligt. Joshua gaat wel naar school in Garyp, waar zijn moeder als leerkracht werkt. Alle andere kinderen op de school zijn wit, maar Joshua is in meer opzichten een tikje anders dan zij. ‘Ik was een beetje een geek‘, zegt hij glimlachend. ‘Nog steeds wel, eigenlijk.’ Terwijl zijn leeftijdgenoten buiten spelen, zit Joshua het liefst binnen, achter zijn Nintendo DS. En als hij buiten komt, doet hij dat vooral in zijn eentje. ‘Ik ging dan de natuur in, en was geobsedeerd door vogels. En ik had encyclopedische kennis van planeten en astronomie – dingen die een kind van 7 over het algemeen nog niet zo interesseren, vond ik geweldig. Daar ging ik helemaal in op.’ Later zal hij erachter komen dat hij een vorm van autisme heeft. Met dat besef kan hij dingen uit zijn jeugd beter plaatsen. Met zijn broer gaat hij vaak vissen in de Groningervaart, het kanaal dat door Burgum loopt. Ze lopen er vanaf hun huis in een paar minuten naartoe. In het kanaal zwemmen ze ook, al mag dat officieel niet. Het vissen nemen ze niet al te serieus, toch vangen ze regelmatig iets. Zijn broer, die zes jaar ouder is dan Joshua, weet er aardig wat van. Hij pikte het van jongens uit Garyp op. Voor Joshua is vissen echt iets Nederlands. Je zult niet zo heel snel een Ghanees met een hengel langs een kanaal zien zitten, denkt hij. Ik ben niet als jullie Dat zijn witte moeder en zwarte vader de reden zijn dat hij een andere kleur heeft dan de kinderen in zijn omgeving, realiseert Joshua zich als kind al wel. Dat het reacties kan uitlokken, ontdekt hij in groep 4. Het zijn kinderen uit groep 7 of 8 die iets naars naar hem roepen. ‘Ik weet nog hoe ik me toen voelde, de eerste keer dat iemand me uitschold om mijn huidskleur. Ik werd me er toen bewust van: ik ben niet als jullie. En ik begreep dat dit dus een probleem voor anderen kon zijn.’ Vanaf dat moment voelt hij zich minder veilig op school. Het gevoel anders bekeken te worden maakt hem nerveus en onzeker. ‘Voor school begon, wachtte ik meestal bij mijn moeder in de klas. Vlak voordat de bel ging, liep ik naar het grote plein. Maar eigenlijk wilde ik niet gaan.’ Als hij naar de middelbare school gaat, in Burgum zelf, blijft de angst om eruit gepikt te worden. Er zijn in de brugklas dagen dat Joshua zoveel buikpijn heeft dat hij niet naar school gaat. ‘Omdat ik ziek werd van het idee dat mensen iets tegen me zouden zeggen.’ De vervelende opmerkingen waarvoor hij bang is, komen nooit. Het eerste jaar blijft de angst hangen, om uiteindelijk te verdwijnen. Joshua kijkt nu met een goed gevoel terug op zijn middelbareschooltijd. Ook de tijd erna, aan het mbo in Drachten, ervaart hij als positief. Hier maakt hij goede vrienden en krijgt hij steeds meer het gevoel erbij te horen. Fries bloed Als kleine jongen ziet hij zijn opa en oma wekelijks. ‘Het waren hele lieve mensen. Betrokken. En heel intelligent, ik heb veel van ze geleerd. Mijn opa was een man die altijd op onderzoek uitging, vragen had en boeken las. Ik zag ze echt als mijn tweede ouders. Ze waren een rots waar ik op kon leunen.’ Zijn oma houdt van de natuur en is gek op vlinders. ‘Elke keer als ik een vlinder zie, doet dat me aan haar denken.’ De dagboeken van zijn oma zijn voor Joshua waardevol. ‘Ik kan er veel in terugvinden over hoe ik was als kind, of hoe andere familieleden waren. Maar ook hoe mijn oma was en hoe ze dacht. Dat is wel echt iets bijzonders.’ Zo hecht als de band met de ouders van zijn moeder is, zo ver weg zijn Joshua’s Ghanese opa en oma. Hij spreekt ze als jongetje een paar keer via de telefoon, ze overlijden als hij nog jong is. ‘Dat vind ik wel jammer. Ik had ze best graag willen spreken, en ze vragen willen stellen over hoe het vroeger in Ghana was. Het zijn toch mijn voorouders.’ Friezen zijn trots op hun cultuur, hun taal en hun provincie. Joshua merkt dat ze soms verrast zijn als ze horen dat hij vloeiend Fries spreekt. ‘Soms kunnen ze je op een bepaalde manier afwijzend aankijken. Of praten ze, als ik Fries tegen hen praat, Nederlands terug. Zo van: we accepteren niet dat jij Fries tegen ons praat. Heel weird, eigenlijk.’ Ook bijzonder is de situatie binnen het gezin: Joshua praat Fries met zijn broer, zus en moeder. Maar die praten op hun beurt allemaal Nederlands met elkaar. Wie met Joshua praat, schakelt over op Fries. Op een natuurlijk manier wisselen zijn moeder, broer en zus beide talen af. De oorzaak ligt in de jonge leeftijd van Joshua bij de scheiding van zijn ouders. Zijn vader verdwijnt uit beeld, waarna zijn moeder consequent Fries met hem gaat praten. Doordat de Ghanese invloed op zijn identiteit kleiner wordt, wordt onbewust de Friese invloed groter. Toch zit er in zijn karakter van alles wat hij koppelt aan zijn Ghanese roots. Zijn moeder ziet het terug in het ritmegevoel en de manier waarop haar kinderen dansen. Maar het komt bij Joshua ook tevoorschijn in zijn uitgesprokenheid, eigenwijsheid en felheid. ‘Vooral Ashanti’s zijn heel uitgesproken mensen. Ze treden graag op de voorgrond, zijn heel aanwezig. Dat kan ik ook zijn.’ Part of the bunch Wel komt hij rond die tijd voor het eerst van dichtbij in aanraking met een andere cultuur. Dat gebeurt als zijn broer hem meeneemt naar een Somalisch gezin. ‘Ik was ons gezin gewend, en voelde me daar opeens super-Nederlands. Eerst was het even wennen, maar later vond ik het juist fijn. Omdat ik daar niet het gevoel had dat ik anders was.’ De Afrikaanse cultuur – ook al gaat het om twee verschillende delen van het continent – verbindt hem met de Somaliërs. ‘Dat gaf me een fijn gevoel. Ze zagen mij gewoon als een van hen. Ik werd opgenomen in hun gezin, op een ander level dan met mijn Nederlandse vrienden. Dat had ik niet eerder zo ervaren. Het was warm, liefdevol. Ik heb nog steeds goed contact met ze, het voelt echt als mijn tweede familie.’ Interesse in het land van zijn vader heeft Joshua als kind al. ‘Ook toen ik niet zoveel contact met mijn vader had, deed ik zelf m’n research. Ik heb mijn best gedaan om informatie te vinden.’ Op zijn Hyves-pagina plaatst hij prominent de vlaggen van Ghana en Nederland. ‘Ik was wel een beetje trots. Dat was niet aangeleerd, het kwam gewoon uit mezelf.’ In 2021 gaat hij voor het eerst naar Ghana. Hij reist er met zijn vader, broer en zus naartoe en blijft er drie weken. Ze verblijven in de hoofdstad Accra en in Kumasi, de geboortestad van zijn vader, die daar een huis heeft. ‘Dat was echt geweldig. Het was heel bijzonder om te zien hoe mijn ooms op mijn vader lijken. En mijn familie lijkt ook echt op mij.’ Al snel komt Joshua erachter dat hij al die tijd een vertekend beeld van Ghana heeft gehad. ‘Ze hebben het daar veel beter voor elkaar dan we hier in het Westen denken.’ Ook al is zijn DNA dan voor de helft Ghanees, Joshua merkt dat hij voor de mensen daar toch echt een Europeaan is. ‘Aan de kleinste dingetjes kunnen ze zien dat je niet daar vandaan komt. Je bent voor hen gewoon wit. Dat vond ik een beetje confronterend. Ik had ergens ook verwacht om geaccepteerd te worden als een Ghanees.’ Als een Ghanees hem obruni noemt, ‘wit persoon’, begint hij zichzelf te verdedigen. ‘Ik ben net als jullie gewoon Ghanees, zei ik dan. Maar zij zien dat helemaal niet zo.’ Het brengt hem een nieuw besef: ‘Voor de Ghanezen was ik niet Ghanees, en voor de Nederlanders niet Nederlands. Het feit dat je nergens echt thuishoort, dat is best een vreemd gevoel.’ Een flinke handicap is dat hij de taal van de Ashanti, Twi, niet spreekt. Dat maakt het communiceren met zijn familie lastiger. ‘Mijn jongere neven en nichten kunnen redelijk Engels, maar mijn ooms en tantes niet. Je kijkt elkaar aan, je voelt dat je familie bent, en je wilt iets tegen elkaar zeggen. Maar je kent hun taal niet. Dus zeg je maar niks. Dat is een vreemd gevoel.’ Diep vanbinnen voelt Joshua de behoefte om de taal te gaan leren, maar heel fanatiek is hij er nog niet mee bezig. Dat komt nog wel een keer, denkt hij. Een paar jaar na de eerste reis naar Ghana gaat hij weer. Deze keer weet hij wat hij kan verwachten, en gaat het iets makkelijker. Als hij terugkomt, weet hij zeker dat het niet de laatste keer was. Hij fantaseert er zelfs over om er ooit een huis te hebben. Waar hij met Burgum een sterke verbinding voelt, begint zijn band met Ghana langzaam maar zeker te groeien. ‘Ghana geeft me een speciaal gevoel. Ik denk dat ik er de rest van mijn leven wel heen blijf gaan.’ Voorlopig blijft Joshua in Friesland wonen. Intussen zit hij alweer vijf jaar in Leeuwarden. Maar naar Burgum blijft hij altijd terugkeren, zeker zolang zijn moeder er woont. ‘Als mensen vragen waar ik vandaan kom, zeg ik Burgum. Omdat het als mijn dorp voelt. Het leven in de stad spreekt me nu iets meer aan, maar eigenlijk ben ik gewoon superdorps. Het platteland blijft altijd in me zitten. Dit is wel echt mijn plek.’
Joshua’s vader verhuist na de scheiding naar Drachten, zo’n 15 kilometer van Burgum. Ze zien elkaar vanaf dat moment ongeveer eens per maand. Hoewel zijn vader niet uit zijn leven verdwijnt, voelt Joshua als klein jochie wel de behoefte aan een meer aanwezige vaderfiguur. Hij herinnert zich dat gevoel niet goed meer, maar las het onlangs terug in een dagboek dat zijn oma bijhield. ‘Tegen haar heb ik gezegd dat ik graag een vader wilde, en verteld hoe die eruit moest zien.’
Joshua is 26. Hij woont in Leeuwarden, maar komt nog elke week in Burgum, in het huis waar hij opgroeide. Hij voelt zich een Fries, zegt hij. ‘Honderd procent.’ Om nou te zeggen dat hij er trots op is, gaat iets te ver, voegt hij eraan toe. In die opmerking komt zijn noordelijke nuchterheid naar voren. ‘Maar ik heb zeker wel iets met mijn Friese identiteit. Dat komt vooral door mijn moeder, maar ook door mijn pake en beppe. Zij waren echte Friezen, van hen heb ik de cultuur ook meegekregen.’
Als hij 8 of 9 is, wordt Joshua op een dag door zijn vader meegenomen naar de Bijlmer. Terwijl hij over een markt in de multiculturele Amsterdamse wijk loopt, kijkt hij zijn ogen uit. Ineens beseft hij dat niemand er wit is. ‘Wauw, dacht ik, ik vond het echt geweldig. Ik ben hier gewoon part of the bunch. Ik hoef me niet aan te passen, ik ben gewoon als iedereen.’ Terug in Burgum ziet hij hier en daar ook wel wat kleur om zich heen, de omgeving is niet zo wit als die in Garyp. In het dorp is zelfs een asielzoekerscentrum. De meeste kinderen die er verblijven, gaan naar de openbare middelbare school. Joshua gaat naar de christelijke middelbare school, en komt daardoor weinig met hen in contact.

