Home » Elisa
Elisa
‘Iets in me verlangt naar het vinden van het laatste stukje, om de puzzel compleet te maken’
Het is 1951. Na jaren van geweld en onderdrukking is Indonesië twee jaar eerder onafhankelijk geworden. Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), opgericht door Nederland, wordt opgeheven. Onder de KNIL-militairen bevinden zich veel Zuid-Molukkers, ze zijn in Nederlandse dienst en vooral op Java gestationeerd. Als het KNIL ophoudt te bestaan, willen veel van hen naar Ambon, waar de Zuid-Molukse Republiek (Republik Maluku Selatan) is uitgeroepen. Maar dat staat Nederland niet toe. In plaats daarvan stuurt het duizenden Molukse KNIL-soldaten naar Nederland.
... Van haar oudere ooms en tantes heeft Elisa het nodige meegekregen over de tijd in het kamp. ‘Ze leefden daar in barakken, die deelden ze met andere gezinnen. Allemaal hele kleine kamertjes. Het was er hartstikke vochtig, en er was geen isolatie.’ Ze kan zich amper voorstellen hoe het moet zijn om van een eiland aan de andere kant van de wereld hierheen gebracht te worden, en op zo’n plek terecht te komen. Uit de verhalen weet ze dat haar opa en oma het, ondanks de omstandigheden, wel goed met elkaar hadden in het kamp. ‘Dat vind ik iets heel moois. Ze maakten het beste van de situatie, en konden echt geluk ervaren in de kleine dingen. Daar heb ik respect voor.’ Als het kamp in 1971 gesloten wordt, hebben de Molukkers er twintig jaar gezeten. Veel van hen komen terecht in Molukse wijken, die overal in Nederland gebouwd worden. De opa en oma van Elisa gaan in het dorp Vaassen wonen, in Gelderland. Hier wordt de vader van Elisa geboren als jongste in een gezin met acht kinderen. Hun ouders spreken geen Nederlands, dus dat moeten ze leren. En het huis waar ze wonen is eigenlijk te klein voor zo’n groot gezin. Maar toch maken ze er ook hier met elkaar het beste van. Elisa’s oma wil, ondanks de pijn die ze zelf gevoeld heeft, haar kinderen een goede toekomst bieden. ‘Dat vind ik heel sterk van haar. Mijn oma was heel modern, krijg ik altijd te horen. Ik heb diep respect voor haar en mijn opa.’ Elisa’s opa overlijdt als zij nog jong is, aan hem heeft ze geen herinneringen. Saamhorigheid In Oosterwolde heeft Elisa het in haar jonge jaren goed. Thuis maakt het gezin vaak samen muziek. Ze heeft vriendjes en gaat in het dorp naar de basisschool. In Oosterwolde wonen meer Molukkers. ‘Maar wij woonden in een hele Nederlandse buurt.’ Elisa’s beste vriendinnetje is een Fries meisje. ‘Zij noemde haar vader heit, dat is papa in het Fries. Maar ik dacht dat het zijn naam was. Dus ik noemde hem ook maar heit, tot zij me uitlegde wat het betekende.’ Op de christelijke basisschool De Akker in Oosterwolde zitten veel Molukse kinderen. Met Kerst zingen ze een deel van de liederen in het Maleis. Elisa voelt zich er op haar plek. ‘Daar heb ik de mooiste tijd van mijn leven gehad. We waren als klas echt één. Iedereen accepteerde elkaar, ook omdat het zo gemixt was. Daar heb ik ook nooit het gevoel gehad anders te zijn.’ In het weekend is ze regelmatig in Vaassen, bij haar Molukse familie. ‘Het was er altijd heel fijn, warm en gezellig.’ Als ze naar de middelbare school gaat, verdwijnt bij Elisa het gevoel van saamhorigheid dat ze op haar basisschool had. ‘Toen kwam ik erachter dat dingen anders zaten. Ik voelde me er niet echt thuis.’ Omdat ze vwo doet, zal ze het toch zes jaar moeten volhouden. Dat lukt, maar het kost haar moeite. ‘Het was echt heel taai daar, het was strijden.’ Elisa kan op school niet helemaal zichzelf zijn, merkt ze. ‘Dus deed ik me voor als iemand die ik niet was.’ Boven op een gebrek aan verbinding komt een gevoel van schaamte. Voor haar geloof, maar ook voor de donkere haren op haar armen. Maar na zes jaar kan de vlag uit. Elisa is klaar met school – maar ook een beetje klaar met Oosterwolde. Trots op de Molukse cultuur Met de Molukse cultuur voelt Elisa veel verbinding, al van jongs af aan. Ze luistert graag naar de verhalen van haar ooms en tantes over het leven daar. ‘Ik wil er alles over weten. En ik wil ook graag Maleis leren.’ Dat doet ze nu, met hulp van haar man. In 2026 trouwen ze. Hij heeft twee Molukse ouders, maar groeide net als zij op in Nederland, buiten een Molukse wijk. Hun gedeelde achtergrond is een verbindende factor, merkt Elisa: ‘Je hebt echt het gevoel dat je elkaar snapt. Je hebt dezelfde normen en waarden. Ik heb altijd zoveel moeite gehad om Nederlandse mensen dingen uit te leggen, bijvoorbeeld als het over spiritualiteit ging. Het komt niet binnen, ze voelen niet wat ik daarbij voel. Een Molukker hoef je dat niet uit te leggen. Je kunt gewoon zijn.’ Dankzij haar man leert Elisa nu nog meer over de cultuur van haar opa en oma. ‘Dat is iets waar ik altijd naar heb gezocht.’ Elisa is altijd trots geweest op haar Moluks-zijn. Thuis heeft ze een aantal voorwerpen die haar connectie met het land van haar opa en oma symboliseren. Een Zuid-Molukse vlag, bijvoorbeeld. Ze vertelt waar de kleuren voor staan: ‘Het rood staat voor onze voorouders, en voor het bloed en de verbintenis die zij delen. Het groen staat voor de bossen en de oerwouden. Het wit staat voor de stranden en het blauw voor de oceaan.’ Op een ingelijste poster staan de woorden ‘Ale Rasa Beta Rasa’: wat jij voelt, voel ik ook. Ze hebben een bijzondere betekenis voor haar. ‘Het is een waarde die in de Molukse cultuur heel sterk is. Dat draag je diep in je hart. Als ik kijk naar hoe mijn familie met elkaar is, herken ik dat heel erg. Altijd als ik mijn vader zie, zegt hij: als jij gelukkig bent, ben ik gelukkig. Als jij huilt, huilen wij met je mee. Dat is zoiets krachtigs.’ Koffie met koek Wel ziet ze heel duidelijk de verschillen met de Molukse cultuur. Zo zitten haar opa en oma als echte Nederlanders elke ochtend stipt om half 10 aan de koffie met een stukje koek. ‘Daar komt niemand aan. En bij verjaardagen zitten we in een kring.’ Ook met Noord-Nederland voelt Elisa een sterke verbinding. Ze houdt van de uitgestrektheid en de weilanden. ‘Ik merk dat ik op dat soort plekken tot rust kom. In de natuur. Vanuit mijn moeder en van haar kant heb ik dat erg meegekregen. Ook daar ben ik trots op. Mijn opa was een grote avonturier, hij nam ons mee naar het bos en we gingen bootje varen. Die vrijheid, die ruimte van het platteland, dat zit heel erg in me. Als ik merk dat mijn hoofd vol zit, moet ik naar een plek met ruimte toe. Daar kom ik tot rust.’ Ondertussen is het meisje dat in haar tienerjaren zo op zoek was naar wie ze was en waar ze bij hoorde, blij met zichzelf. En de twee kanten van haar achtergrond komen steeds meer met elkaar in balans. ‘Ik ben supertrots op wie ik ben en waar ik sta.’ Op de Molukken is Elisa nog nooit geweest. Dat geldt ook voor haar man. Ze willen het beiden heel graag, en maken plannen om op niet al te lange termijn te gaan. ‘Er is iets in me dat verlangt naar het vinden van het laatste stukje, om de puzzel compleet te maken.’
Van de acht kinderen uit het Molukse gezin krijgen er zes een Nederlandse partner. Ook Elisa’s vader. Als hij in Groningen studeert, ontmoet hij Elisa’s moeder. Zij komt uit Sebaldeburen, een Gronings dorpje. Samen gaan ze in Oosterwolde wonen, een dorp in het zuiden van Friesland, vlak bij de grens met Drenthe. Ze krijgen drie kinderen, Elisa is de middelste.
Elisa is 26. De meeste Nederlanders zien haar als een Molukse vrouw, denkt ze. Ergens vindt ze het jammer dat ze niet in een van de Molukse wijken die sinds de jaren zeventig gebouwd zijn, is opgegroeid. ‘Ik heb dat zeker gemist. Op een gegeven moment denk je: waar hoor ik bij? Dat was best lastig.’ Het is de ingewikkelde werkelijkheid van een gemixte culturele achtergrond.
Hoewel ze veel bezig is met de Molukse zijde van haar achtergrond, is ook haar Nederlandse kant duidelijk onderdeel van Elisa’s identiteit. Voor haar Groningse opa en oma voelt ze veel liefde. ‘Ik denk dat ik de allerbeste opa ooit heb. Echt een opa-opa. Het is iemand die je je speciaal kan laten voelen. Hij heeft oog voor een ander, geeft veel complimentjes, is ontzettend lief en heel grappig. En mijn oma ook. Het zijn echt hele goeie mensen.’

