Home » Daniël
Daniël
‘Pekel zit in mij en heeft me gevormd. Maar waar ik meer van wil weten is die andere kant’
Over het water van het Pekelder hoofddiep, dat door het Oost-Groningse dorp Oude Pekela slingert, liggen karakteristieke bruggetjes. Langs de smalle straat ernaast staan mooie, oude huizen en boerderijen. De plek van een afgebrande fabriek vormt een gapend gat in het lint. Dieper het dorp in vind je woonwijken met rijtjeshuizen en een winkelcentrum.
... Ben je er eentje van De Boer, dan weet in Oude Pekela iedereen waarover je het hebt. Het transportbedrijf Gebroeders De Boer is duidelijk aanwezig in de geschiedenis van het dorp. Dat begint met een scheepswerf, aan het eind van de 19de eeuw opgezet door Daniëls overgrootvader. In 1937 gaat het bedrijf over van scheepsbouw naar transport. Eerst met één bus, maar al snel met een aantal vrachtwagens. Bijna honderd jaar later is Gebroeders De Boer flink gegroeid, en alweer toe aan de vierde generatie: twee neven van Daniëls vader runnen het bedrijf. De kenmerkende blauwe vrachtwagens, vaak met een Groninger vlag op de grille, zie je overal rijden. Naast het terrein van het transportbedrijf staat het huis waar Daniëls vader opgroeide en waar hij later ook met Daniëls moeder woonde. Hun eerste kind, de twee jaar oudere broer van Daniël, wordt er geboren. Kort daarna verhuist het jonge gezin. Daniël zelf ziet het huis pas in 2026 voor het eerst vanbinnen. Hij verbaast zich over het koude, donkere zolderkamertje waar zijn vader vroeger sliep. Tussendoorweggetjes De buren zijn belangrijke figuren, vooral Daniëls buurvrouw past regelmatig op hem en zijn broer. ‘Ze was een soort oma voor me’, zegt hij. ‘Ik ben ook deels door haar opgevoed.’ Zij en haar man praten plat Gronings, Daniël verstaat het prima, al spreekt hij het zelf niet. Hij vindt het een mooie taal, mooier dan andere dialecten of het Fries. ‘Het heeft iets warms, net als Surinaams.’ In Oude Pekela wonen in die tijd weinig mensen van kleur, en nog minder mensen van kleur die in het dorp opgegroeid zijn. Daniël en zijn broer vallen in die zin op, maar zijn tegelijkertijd volledig onderdeel van de dorpsgemeenschap. ‘Je was gewoon Pekelder,’ zegt hij nuchter. Als hij 8 is, gaan zijn ouders uit elkaar. Met zijn broer en moeder verhuist hij eerst tijdelijk naar een huurhuis in het dorp, en een jaar later naar een koopwoning. Zijn vader vertrekt naar Zoetermeer, maar blijft hij regelmatig zien. Wrijving Door de jaren heen stromen via het asielzoekerscentrum aan de rand van het dorp meer kleuren en culturen Oude Pekela in. Daniël voelt een connectie met de mensen uit het azc, maar merkt ook hoe zijn vrienden de asielzoekers negatief benaderen. ‘Ik hoorde bij de jongens uit het dorp, maar ik vond het ook fijn dat die nieuwkomers er waren. Die wrijving was op een gegeven moment lastig voor me. Ik was zowel onderdeel van de gemeenschap als buitenstaander.’ Als Daniël op de middelbare school zit, komt de gabbercultuur op. Terwijl hij om zich heen jongens in Lonsdale-kleding ziet, draagt hij zelf wijde skatebroeken die niet zelden op half zeven hangen. Hij begint zich ook te verdiepen in hiphop, met behulp van het dan opkomende internet. ‘Rapbattles, en alles wat zwarte mensen deden, zocht ik op. Omdat ik het in mijn echte leven niet had. Dat gevoel was zo sterk. Ik bouwde mijn eigen realiteit op internet, met mijn muziek en mp3-speler. Maar dat kwam niet overeen met mijn omgeving.’ Het besef dat hij anders is dan veel leeftijdsgenoten, niet alleen door zijn huidskleur, begint te groeien. Meer en meer kiest hij zijn eigen weg en zijn eigen vrienden – al zijn er niet veel die zijn interesses delen. Tijdens zijn middelbareschooltijd voelt Daniël steeds sterker de behoefte zich te verbinden met meer ruimdenkende personen, mensen met een bredere blik op de wereld. ‘Ik wilde niet meer dat kortzichtige, niet meer moeten aanpassen. Ik identificeerde me niet meer met het dorp en met de mensen daar.’ Het gevoel een buitenstaander te zijn heeft hij ook als hij bij zijn vader in Zoetermeer is. In een flat vol verschillende culturen voelt hij zich als jongen uit een klein Gronings dorpje opnieuw anders dan de mensen om hem heen Wortels Als hij als jochie bij vriendjes thuiskomt, realiseert Daniël zich steeds meer het verschil tussen de Nederlandse en Surinaamse cultuur. ‘Soms moest ik gewoon lachen om hoe zij met hun ouders omgingen. Dat kon ik me echt niet voorstellen. Mijn moeder was zelfs streng voor mijn vriendjes, als ze bij ons waren.’ Hij lacht. Daniëls Nederlandse oma is 102 en woont sinds een jaar in een verzorgingstehuis, op een paar honderd meter van de woning waar ze lang met haar man woonde. Bij haar liggen zijn Oost-Groningse roots. Daniël noemt zijn oma ‘een hele sterke vrouw. Een hele lieve vrouw ook.’ Ze leest veel, vooral thrillers, en drinkt elke avond een jonge jenever voor het slapengaan. Haar stoel staat nog steeds in de woonkamer van een verder bijna leeg huis, net als het bed waar Daniëls opa in stierf. In Winschoten, 7 kilometer verderop, woont Daniëls Surinaamse oma tot haar overlijden, in 2004. Ze komt regelmatig oppassen als hij klein is. Bruin en wit gaan in het huis van de familie De Boer op een vanzelfspekende manier samen. ‘Op verjaardagen hadden we vroeger echt een gemengd gezelschap. Daar was niemand mee bezig, het was gewoon zo. Mijn Surinaamse familie uit Sappemeer had ook een Gronings accent.’ De Surinaamse cultuur krijgt Daniël ook buitenshuis van jongs af aan mee. In Stadskanaal zit een Surinaamse vereniging waar het gezin zo nu en dan naartoe gaat. En de familiefeesten in Sappemeer staan hem nog scherp voor de geest, net als de uitjes naar het Kwaku-festival in Amsterdam. ‘Later besefte ik dat zulke dingen niet doorsnee zijn als je in een dorp als Oude Pekela woont. De feesten, het eten, dat kregen we mee van de cultuur. Ik wilde daar meer van zien.’ Down to earth Hoewel er natuurlijk verschillen tussen de Oost-Groningse en Surinaamse cultuur zijn, ziet Daniël ook duidelijke overeenkomsten. ‘Surinamers zijn, net als Groningers, heel down-to-earth. In Oude Pekela heb je een dorps gevoel, iedereen kent elkaar. Zo van: hest al heurd? Die en die is dood – dat soort dingen. Maar toen ik in Suriname was, merkte ik dat het daar bijna precies zo gaat. Ik schrok er gewoon van.’ Aanvankelijk hebben de Surinamers direct door dat Daniël daar niet vandaan komt. Maar na een tijdje wordt hij steeds meer een van hen. Door de zon is zijn huid donkerder geworden, hij gaat een trainingsbroek en badslippers dragen, zet zijn petje wat hoger op zijn hoofd en doet oorbellen in. In plaats van snel te lopen, zoals Nederlanders doen, vertraagt hij zijn pas. Dat Surinamer zijn niet alleen te maken heeft met je afkomst, ontdekt hij tijdens de acht maanden in het land. ‘Je kunt niet zomaar zeggen dat je een Surinamer bent. Het is geen ras, het is een cultuur.’ Het zet hem aan het denken over zijn roots. Ineens realiseert hij zich dat hij trots is op zijn afkomst, waar hij zich tot dat moment juist vaak schaamde voor Pekel. ‘Als je zo lang van huis bent, ga je nadenken over waar je vandaan komt. Door het zien van mijn neefjes en nichtjes ging ik terug naar mijn eigen jeugd. Toen besefte ik dat ik wel echt een Pekelder ben. Die kant zit sterker in me, terwijl ik de Surinaamse kant nu leer kennen.’ In Suriname werkt hij samen met muzikanten. Hun laat hij Groningse muziek horen. ‘Dat was een moment waarop ik dacht: dit is het. Gewoon delen wat er in je omgaat. Ik snap nu ook waarom je weg moet uit een omgeving waar je je niet prettig voelt. Want dan krijg je allemaal eilandjes, en krijg je geen verbinding.’ Trots Dat Oost-Groningen in hem zit, voelt hij inmiddels steeds meer. ‘Toen ik twee jaar in Amsterdam woonde, kreeg ik altijd van mensen te horen dat ik zo nuchter was. Toen begon bij mij de trots op het platteland, op het Groningse, een beetje te groeien. Die nuchterheid en ook de directheid, daaraan merk ik het.’ Intussen zegt hij met trots dat hij van hier is. De tijd die hij in Oude Pekela heeft gehad, is waardevol. Het dorp heeft hem gevormd, en ook het gegeven dat zijn moeder er alles op heeft kunnen bouwen, is belangrijk. ‘Ik heb hier plezier gehad, en de wonden die ik heb opgelopen zijn al genezen. Dus nu voelt het goed.’ Als hij door Oude Pekela loopt, voelt hij: dit dorp is ook van mij. Het is een gevoel dat hij als kind had, dat tijdens zijn puberteit verdween, maar dat nu terug is. ‘In een dorp als Pekela kijken mensen eerst even wat voor vlees ze in de kuip hebben. Maar als je eenmaal een gesprek met iemand hebt, en ze vertrouwen je, komt het wel los. Zo werkt het bij mij ook. Dan is je relatie met mensen ook veel persoonlijker. Maar ook de rust van deze plek zit in mij. Als je in Pekela bent, hoor je niks. Dat vind ik nog steeds het prettigst. Die rust zal ik altijd op blijven zoeken. Wat dat betreft zit in mij echt een plattelandsjongen.’ Op zijn 33ste voelt Daniël dat de balans tussen zijn Groningse en Surinaamse achtergrond in evenwicht is. ‘Maar als je me nu vraagt of ik in Oost-Groningen of in Suriname zou willen wonen, dan zeg ik Suriname. Dat voelt nu beter. Het is misschien ook doordat ik nu een connectie met mijn familie daar heb. Pekel zit in mij en heeft me gevormd. Maar waar ik meer van wil weten is die andere kant.’
In Oude Pekela heeft Daniël een onbezorgde jeugd. Aan het eind van de Thorbeckelaan, waar hij opgroeit, staat een imposante watertoren. De buurt is er eentje waar hij als kind lekker zijn gang kan gaan, met sluiproutes via tussendoorweggetjes en steegjes. Het zijn de late jaren negentig en de eerste jaren van de 21ste eeuw. Daniël voetbalt, koopt Pokémon-kaarten bij de Top1Toys in het winkelcentrum, bouwt hutten, doet mee aan skelterraces en loopt bij zijn vriendjes door de achterdeur naar binnen.
Op de openbare Feiko Clockschool ligt Daniël goed in de groep. Hij mag dan een andere kleur hebben, toch voelt hij zich er geen moment anders. Bij voetbalclub Noordster, tegenover de school, krijgt hij wel af en toe een opmerking van een teamgenoot naar zijn hoofd, vaak grappig bedoeld. Er zijn momenten dat de angst voor dat soort opmerkingen hem het plezier in het voetballen ontneemt. Als er scouts van FC Groningen komen kijken, durft hij niet voluit te gaan, bang om nog meer op te vallen dan hij al doet. Tegelijkertijd wordt hij tijdens wedstrijden door zijn teamgenoten beschermd. ‘Als er iets met mij was, kwam iedereen voor me op.’
Na de scheiding van zijn ouders wordt Daniël vooral opgevoed door zijn moeder. ‘Van haar en van de Surinaamse kant heb ik heel erg het belang van zorgen voor je familie meegekregen. Wat er ook gebeurt.’ Dat merkt hij als hij naar zijn tien jaar jongere halfbroertje kijkt. Die noemt hij trouwens nooit ‘halfbroertje’, maar gewoon ‘broertje’. Onlangs stelde hij Daniël voor het eerst voor aan zijn vriendin, ze gaan binnenkort samenwonen. ‘Ik ben echt trots op hem. En ik zie mezelf op die leeftijd, als ik naar hem kijk.’
Als Daniël een jaar of 7 is, gaat hij voor het eerst naar Suriname. En als hij 11 is, gaan ze weer. ‘Voor mij was dat bijzonder. Ik leerde mijn opa kennen, en andere familie. Toen begon het idee te groeien om daar een keer te gaan wonen.’ In 2025 neemt hij de stap om voor langere tijd naar Suriname te gaan. Hij verblijft er acht maanden, ontmoet veel familie en wordt onderdeel van de gemeenschap. Hij woont feesten en een begrafenis bij, leert omgaan met het chaotische verkeer en met lokale taxichauffeurs, rijdt zijn opa naar het ziekenhuis en ervaart hoe het leven in het land van zijn moeder is.
Oude Pekela zit voor Daniël vol herinneringen. In een rijtjeshuis in het dorp zoent hij voor de eerste keer met een meisje. ‘We keken American Pie. Ze was twee jaar ouder, en ik was bang voor meisjes. Tijdens de film durfde ik haast niks tegen haar te zeggen.’ Toch besluit hij het erop te wagen, en haar te zoenen. ‘Ik dacht nog: als ik dit nu doe, ga ik het nooit meer vergeten. En dat is ook zo. Die avond heb ik een uur lang door Pekela gefietst, helemaal verliefd.’

