Home » Denise
Denise
‘In Delfzijl ben ik opgegroeid, en daar ben ik dankbaar voor. Maar nu pas ik hier niet meer zo goed’
Tweeënhalf uur heeft Denise Silva Dono gereisd om vanuit haar woonplaats Amsterdam in haar geboorteplaats Delfzijl te komen. Nu zit ze op de bank in het huis van haar ouders, in Delfzijl-Noord. Haar Nederlandse moeder zit naast haar, haar Kaapverdiaanse vader luistert mee vanuit de keuken.
... Pas na de geboorte van zijn eerste kind, Denise’s broer, krijgt haar vader een meer permanente verblijfsvergunning. Tot dat moment moet hij het doen met steeds een verlenging van drie maanden. Denise’s broer krijgt eerst de achternaam van zijn moeder, maar later alsnog die van zijn vader. Ook Denise en haar zusje krijgen de naam Silva Dono. Iedereen is uitgenodigd In de Kaapverdiaanse gemeenschap is saamhorigheid een groot goed, merkt ze. ‘Kaapverdianen zoeken elkaar vaak op, gewoon spontaan. En als er een feest is, nodigen ze iedereen uit. Heeft iemand toevallig Kaapverdiaanse familie op bezoek? Dan gaat die ook mee naar het feest. Je hebt zo een hele zaal vol mensen die dansen, eten, spelletjes doen. Het hoort bij de cultuur dat je gewoon uitgenodigd bent.’ Denise is een goede danser. In het clubgebouw leert ze het als klein meisje van haar vader, eerst door op zijn voeten te staan. Ze dansen de funaná en coladeira, op de muziek van zangeres Cesária Évora. Als ze ouder wordt, wordt ze steeds beter. De andere Kaapverdianen zien het, en vinden het mooi. Al snel worden zij en haar vader regelmatig gevraagd om samen te dansen. Rond haar vijftiende begint Denise met hiphopdansen, een paar jaar later wordt ze in Parijs Europees kampioen freestyle. Inmiddels is ze 31 en danst ze nog altijd graag. Glimlachend: ‘Maar niet meer op hoog niveau. Ik heb genoeg blessures gehad.’ Een clubgebouw als tweede thuisland Als ze een jaar of vijftien is, gaat Denise voor het eerst naar Maio, het eiland waar haar vader geboren is. Haar opa wordt tachtig en viert dat met zijn familie en vrienden. ‘Vooraf vroeg ik me af hoe het zou zijn. Zou het me aantrekken, zou het leuk zijn?’ Ze bezoekt het stadje Vila do Maio, ook bekend als Porto Inglês, waar haar oma woont. ‘Maar ik heb ook het dorp gezien waar mijn vader is opgegroeid. Een klein boerendorpje: twee straten, en dat is het.’ Voor de Groningse tiener is het een flinke omschakeling. ‘Ik was alle luxe van Nederland gewend. Dat je kunt douchen, dat er gewoon water uit de kraan komt. Hier moest je ergens water halen, en het douchewater moest je opvangen om het toilet mee door te spoelen.’ Op straat ziet ze hoe mensen eten maken in grote pannen. En recht voor haar neus wordt een geit geslacht. ‘Mijn zusje begon te krijsen, en ik was ook even in shock. Maar toen dacht ik: dit is hier normaal, het hoort zo.’ Om zich heen ziet Denise hoe het ritme en tempo van het leven op Maio anders zijn dan ze gewend is. ‘Alles gaat er relaxed. Het was mooi om te zien waar mijn vader vandaan komt. Ik wil er sowieso nog een keer naartoe, maar ik heb niet zo het gevoel dat ik er elk jaar heen moet. Mijn nicht is vol Kaapverdiaans, zij gaat regelmatig. Maar die behoefte heb ik minder.’ Verlangen naar de stad In haar buurt in Delfzijl-Noord ziet Denise ook veel andere culturen om zich heen, net als op Dalton-basisschool De Noorman. ‘In mijn klas zaten Turkse, Antilliaanse en Surinaamse kinderen.’ De leerkrachten geven iedereen de ruimte om te zijn wie ze zijn. Ook laten ze de kinderen kennismaken met andere culturen, gebruiken en gewoontes. ‘Het zat in simpele dingen, zoals met de hele klas rekening houden met een klasgenoot die meedeed aan de ramadan. Laten we van elkaar leren, was hun idee.’ Door haar multiculturele omgeving heeft Denise nooit het gevoel anders te zijn dan andere kinderen. Want iederéén in Delfzijl-Noord is ‘anders’. Thuis krijgt Denise mee hoe belangrijk het is om gastvrij te zijn, maar ook om klaar te staan voor anderen. Dat komt deels uit de Kaapverdiaanse cultuur, waarin het samenkomen met familie een wezenlijk onderdeel is. Maar ze leert het ook van haar Nederlandse moeder. ‘Als je iets niet nodig hebt, geef het dan aan iemand die het wel kan gebruiken, zei ze altijd. En als mijn vrienden vroeger in de put zaten, was mijn moeder er voor ze. Kom maar hier, eten of slapen, het is oké. Het maakt niet uit wie je bent: kom maar binnen.’ De middelbare school waar Denise naartoe gaat, op de grens van Delfzijl en Appingedam, heeft twee gebouwen, voor het vmbo en voor havo-vwo. ‘Op de eerste zag je meer mensen van andere culturen. Mijn beste vriendin op school was Antilliaans. Maar ik was er niet zo bewust mee bezig.’ Als ze zich binnen het vmbo omhoogwerkt, ziet ze dat haar klas steeds witter wordt. Maar met discriminatie krijgt ze hier bijna niet te maken, op zo nu en dan een grappig bedoelde opmerking na. Haar achternaam, waar ze ook vaak complimenten voor krijgt, blijkt soms wel een obstakel te zijn. Bijvoorbeeld als ze met een vriendinnetje bij een supermarkt solliciteert. ‘Zij is donkerder dan ik, maar heeft een Nederlandse achternaam.’ Haar vriendin wordt direct aangenomen, terwijl Denise nooit iets van de supermarkt hoort. Waar ze zich in haar jeugd vrij voelt, bekruipt Denise naarmate ze ouder wordt steeds meer een gevoel van onvrijheid in Delfzijl. Ze valt op vrouwen, en merkt dat daar niet altijd begrip voor is. Het verlangen naar een andere leefomgeving, die van een grotere stad, begint te groeien. De eerste stap in die richting zet ze als ze na het vmbo verpleegkunde gaat studeren in Groningen, waar ze ook gaat wonen. Maar eigenlijk zou ze het liefst naar Amsterdam willen, vertelt ze haar vrienden. De opleiding in Groningen rondt ze niet af, in plaats daarvan gaat ze het in Leeuwarden proberen. Op de hogeschool NHL Stenden komt ze terecht in een spierwitte omgeving. ‘Ik was de enige met krullen. Het was echt blond haar en blauwe ogen, daar – en Fries.’ Mede door haar moeder verstaat ze het Fries wel, maar spreken kan ze het niet. ‘Ik was daar wel anders, maar ik had er geen last van. Het ging mij erom dat ik mijn diploma zou halen.’ En dat lukt. Een nieuw thuis Inmiddels woont ze een jaar in de hoofdstad, in de wijk De Pijp. Ze is er op haar plek, precies zoals ze altijd al dacht. ‘Ik voel me in een grote stad vrijer en veiliger dan hier in Delfzijl, puur om mijn geaardheid. Je kunt er anoniemer zijn, en hand-in-hand lopen.’ Als ze in het Westen zegt dat ze uit Delfzijl komt, vragen mensen vaak of dat in de buurt van Delft is, vertelt ze lachend. ‘Dan moet ik uitleggen dat het in Groningen is. Mensen zijn dan heel verbaasd. Vanaf de dijk kun je Duitsland zien, vertel ik dan. Dan zijn ze weer verbaasd.’ Het hebben van een gemixte culturele achtergrond is iets bijzonders, iets moois en iets dat je als mens onderscheidt van anderen. Is Denise trots op haar afkomst? Ze zucht eens. ‘Mijn afkomst hoort bij me. Maar trots…’ Ze haalt haar schouders op. ‘Ik denk dat mijn nuchtere Groningse kant hier omhoog komt.’ Toch zit de Kaapverdiaanse cultuur wel degelijk in haar. Dat merkt ze bijvoorbeeld aan de gastvrijheid die ze van huis uit meegekregen heeft. ‘Iedereen mag altijd aanschuiven. Er is genoeg, het maakt niet uit. Kom langs, klop aan.’ Kaapverdiaans koken kan ze zelf niet, geeft ze toe. Lachend: ‘Maar ik kan het wel goed opeten. Mijn vader heeft me al vroeg geleerd dat je alles moet opeten wat in de pan zit, het maakt niet uit wat het is. Mijn vriendin eet bijvoorbeeld geen vlees met botten. Kom maar hoor, zeg ik dan, ik eet het wel op. Ik ben niet kieskeurig, en kan zo een vissenkop of een varkensstaart opeten. Of geitenvlees, dat moet ik mensen ook weleens uitleggen. Lekker mals. Dan kijken ze me aan.’ Op de plek van het huis waar Denise opgroeide, staan nu nieuwbouwhuizen. Haar basisschool en haar middelbare school bestaan niet meer. En ook clubgebouw Os Amigos is afgebroken. Nu ze niet meer in Delfzijl woont, is Denise’s band met de Kaapverdiaanse gemeenschap minder sterk geworden. Haar nicht Nadine, waarmee ze altijd close was, is eigenlijk de enige waarmee ze nog contact heeft. Denise werkt als verpleegkundige op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Ze zou graag kinderen willen, een wens die ze altijd al heeft gehad. ‘En verder wil ik mijn toekomst in Amsterdam opbouwen.’ Is haar gevoel voor Delfzijl veranderd, nu ze er al een tijd niet meer woont? ‘Nee. Hier ben ik opgegroeid, en daar ben ik dankbaar voor. Maar nu pas ik hier niet meer zo goed. Mijn thuis is nu in Amsterdam.’
Buiten de Randstad is Delfzijl de enige plek in Nederland met een opvallend grote Kaapverdiaanse gemeenschap. Op twee minuten lopen van Denise’s huis staat Os Amigos, het clubgebouw van de Kaapverdiaanse gemeenschap. Ze gaan er vaak naartoe voor feesten, of om gewoon bij elkaar te zijn.
Hoewel ze de cultuur meekrijgt, is Denise met het land van haar vader eigenlijk nooit zo veel bezig. ‘Omdat voor mijn gevoel hier de Kaapverdiaanse gemeenschap was. Het klinkt raar, maar als kind was Kaapverdië voor mij het clubgebouw. Het dansen, het eten, dat was voor mij Kaapverdië. Wat mijn vader met het land heeft, had ik niet zo.’ Ook van hem krijgt ze niet zo veel mee over het land, of over de taal – vooral omdat hij bijna altijd aan het werk is.
De omgeving waarin Denise opgroeit, voelt geborgen. Het huis van het gezin staat vlak bij de zeedijk. Ze speelt er vaak. Als er sneeuw ligt, is het een perfecte plek om met een slee naar beneden te suizen. Naast de dijk ligt een groen park met een vijver, daar vist ze met haar neef.
In 2024 heeft Denise een appartement in de stad Groningen, haar studie heeft ze bijna afgerond. De stad geeft haar de vrijheid die ze in Delfzijl soms miste, al merkt ze ook dat ze Groningen een beetje aan het ontgroeien is. Hoewel ze diep vanbinnen nog steeds wel naar Amsterdam zou willen, heeft ze zich erbij neergelegd dat het goed is zo. Maar dan ontmoet ze de vrouw die later haar vriendin zal worden. Ze woont in Amsterdam. ‘Toen dacht ik: dit is m’n kans om te gaan.’

